Voorbij schaamte zie ik verwondering

Door Maria Mazarakis

Schaamte…
Wanneer heb ik schaamte gevoeld in mijn leven. Er komt niet een helder moment bij mij op dat ik werkelijk zou benoemen als schaamte. Ken ik deze emotie dan niet? Schaamte kent toch iedereen? Ik denk aan een ervaring van toen ik vijf was. Ik heb al een paar jaar kinderleukemie en ben kaal door het gebruik van het medicijn prednison. Ik draag een pruik, die qua kleur overeen komt met mijn eigen haar. Waarschijnlijk om er niet anders uit te zien dan anderen. Ik weet eigenlijk niet of ik deze pruik zelf wil of dat ik ‘m draag op advies van mijn ouders. Wat ik wel weet is dat ik op een dag thuiskom met mijn pruik in mijn hand. “Ik draag ‘m niet meer” zeg ik tegen mijn moeder. “Als ik een koprol maak op school valt ie steeds af en dat vind ik echt niet leuk”. Schaamde ik mij toen? Of was het enkel ongemak? Baalde ik? Was ik boos op die pruik die niet gewoon bleef zitten? Ik weet het niet. Mijn moeder reageert rustig en zegt; “Oké, laten we gaan fietsen samen. Rijden we een rondje door het dorp, zodat iedereen kan zien dat jij kaal bent. Schaamte… wat is dat eigenlijk? En hoe werkt het?

Gezonde schaamte
Schaamte is lastig te definiëren, lees ik in het boek ‘Vrij van schaamte’ van John Bradshaw. Dat komt omdat de oorsprong ervan in onze pre-verbale periode ligt. Het gevoel van schaamte bouwt voort op de ontwikkeling van het gevoel van vertrouwen dat we vanaf onze geboorte ontwikkelen. Het is van vitaal belang te weten dat we de wereld kunnen vertrouwen en dat ons vertrouwen in het leven groter is dan ons wantrouwen. Te weten ook dat we kunnen rekenen op een ander. Bij de start van onze levens hebben we onze verzorgers écht nodig. Zij die er, op een voorspelbare manier, altijd voor ons zijn. Zodat we vanuit het gevoel van zekerheid en vertrouwen een interpersoonlijke band kunnen ontwikkelen, die ook wederkerigheid kent. Alleen in relatie met iemand anders kunnen we een eigen identiteit ontwikkelen; een innerlijk zelf. Die wederkerigheid en die relatie is van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van een gevoel van eigenwaarde en ook voor de ontwikkeling van een gezond gevoel van schaamte. Als we vijftien maanden zijn willen we de wereld verkennen, willen we onze autonomie ontdekken. Wanneer we dat kunnen doen in verbondenheid met onze verzorgers, kunnen we een gezond gevoel van schaamte ontwikkelen; Door in die ontdekkingstocht enerzijds wat ruimte te krijgen om te falen en anderzijds grenzen mee te krijgen over wat wel en niet kan. Schaamte en twijfel zijn noodzakelijke gevoelens om tegenwicht te bieden aan onze autonomie. Gezonde schaamte dus, die ons laat weten dat we niet almachtig zijn, dat we menselijke beperkingen hebben en dat die beperkingen ook onderdeel zijn van ons wezen. Een gezond schaamtegevoel is goede grond voor bescheidenheid en herinnert ons eraan dat we anderen, of hulp van anderen nodig hebben. Om ons ‘zelf’ te spiegelen aan die ander en ook om ons ‘Zelf’ te ontwikkelen.

Vergiftende schaamte
Gezonde schaamte kan veranderen in schaamte als zijns-toestand, schrijft John Bradshaw. Dan gaat schaamte over wie wij ‘zijn’, of misschien wel over wie wij zouden wíllen zijn, maar juist níet zijn omdat we vooral in veel tekortschieten. Schaamte is ook een gevoel van tekortschieten ten opzichte van het ideaal dat we onszelf hebben gesteld. Ook de omgeving kan van invloed zijn. Wanneer de omgeving beter presteert, kan dat schaamtegevoel geven. Als zijns-toestand kan schaamte onze hele identiteit overnemen. Bradshaw noemt dit vergiftende schaamte, omdat het jouw ‘zijn’ vergiftigd en je deze het liefst deep down verbergt en vervangt door een vals ‘zijn’. Vergiftende schaamte is sterk naar binnen gericht, waardoor mensen die deze schaamte ervaren, zich vaak afsluiten van hun omgeving. Zij worden overladen met gedachten over schuld. Telkens weer schieten zij tekort, zijn zij daar zelf  schuldig aan en hebben zij iets te vereffenen, voor zichzelf en de ander. Deze schaamte houdt  schaamte gemakkelijk in stand, omdat er vaak niet over gesproken wordt. Hun ware ‘zelf’ is soms zo diep en al zo lang weggestopt dat zij deze niet meer herkennen. 

Zo zeg, wat schaamde mij
Ik was 22, denk ik, toen Herman, mijn docent Sociologie, vroeg of ik zijn team wilde versterken in een show over de geschiedenis van badkleding. Hij had een onvoorstelbaar grote collectie heren- en damesbadkleding en een zeer uitgebreide kennis over hoe badkleding zich wereldwijd heeft ontwikkeld. Hij vroeg me of ik die badpakken wilde showen. “Dat wil ik alleen”, zei ik, “als je badpakken hebt die mij tot aan mijn enkels bedekken”. “Die heb ik”, zei hij, dus ik stem in en ga mee voor twee shows op Vlieland. Daar hangen de badpakken. Netjes geordend op leeftijd, beginnend met de badpakken met lange mouwen, die tevens beendekkend zijn. Daarna de rokjes met lijfjes die open en steeds bloter werden. Ik kijk en verstijf.  “Herman!’ roep ik uit,” je hebt er maar twee die beendekkend zijn!”. “Klopt”, zegt Herman, die ondertussen bikini’s herschikte. “Maar ik heb ze wel! Zoek maar een paar mooie badpakken en bikini’s die je wilt showen dan hang ik ze voor het hele team dadelijk op volgorde”. Ik krijg geen adem meer, mijn hart slaat op tilt, het zweet breekt me aan alle kanten uit… Ik denk aan mijn kuiten. Daarmee ga ik echt bloot de bühne niet op! “Jezus, Herman! Ik ga dit niet doen.” Ik wil verdwijnen, gewoon door de grond zakken; ik wil nu, daar op die plek niet zijn. “Wat is er mis met jouw kuiten? Wat is er mis met jouw lijf? Je bent prachtig!” hoor ik Herman uitroepen, verontwaardigd en vol ongeloof. De team-leden vallen hem bij. Ik voel me ontzettend stom én in het nauw gezet. Ons team is zo klein. De zenuwen gieren door mijn lijf. In stilte bekijk ik de badpakken en selecteer de mijne. Het maakt toch niet meer uit welke ik kies, mijn kuiten zijn sowieso zichtbaar. Holy shit! Ik loop de catwalk op in de uitgekozen bikini. Ik voel me bloot. Op het strand in mijn bikini liggen voelt echt anders als in een bikini over een catwalk lopen. Ik heb het idee dat iedereen naar mijn kuiten kijkt en denkt; “Jeemig die zijn stevig, dat ze daarmee de catwalk opgaat. Tjonge jonge!” Terwijl ik loop hoor ik Herman vertellen over de geschiedenis ofwel het sociologische verhaal van de badpakken. Het is een verhaal over de emancipatie van de vrouw; over vrijwording, erotisme, over martelende korsetten die vervangen werden door gewaagde uitsnijdingen, weg met het korset, weg met het witte vel, weg met alle geijkte conventies en regels. Zijn verhaal raakt me. Ik show tien badpakken en bikini’s. Elke keer loop ik opnieuw de catwalk op met het idee dat iedereen alleen naar mijn kuiten kijkt. Ik weet het zéker! Op de catwalk ben ik me gewaar van mijn vrijwel blote lichaam en mijn zichtbare blote kuiten. De eerste keren ontwijk ik met mijn blik het publiek. Ik kijk ver voor me uit, luister enkel naar het verhaal van Herman. De inhoud daalt langzaam in. Herman, die zo liefdevol is. Die een ongelofelijke liefde heeft voor zijn badpakken, maar ook voor zijn modellen. Die liefde voel ik ook als hij vertelt over de badpak die ik draag en zijn verhaal over mij en hoe wij verbonden zijn met elkaar. Het sterkt me, het draagt me daar ter plekke. Hij, Herman draagt me. Ik voel weer lucht en ruimte. Ademhalen gaat steeds gemakkelijker. Af en toe durf ik zelfs iemand aan te kijken. Zie ik een lachend gezicht die me toeknikt en me helpt om weer contact te maken met mezelf en zo ook met het publiek. Het verhaal bij de badpakken haakt aan mijn persoonlijk verhaal over zichtbaar worden, vrij zijn. Ik wil mijn eigen plek in kunnen nemen op deze wereld.Terwijl deze gedachten door mij heen gaan, recht ik mijn rug en loop de catwalk. Me volledig bewust van deze gedachten.

Ik verwonder me over mijn eigen lef. Ik loop de catwalk en ik loop ‘m net zo vaak als nodig is om voorbij mijn schaamte te komen. Vijf shows verder.

De schaamte voorbij
Een bewonderenswaardig voorstel vind ik het rondje fietsen van mijn moeder, als reactie op het afdoen van mijn pruik. Mijn moeder nam het leven zoals het kwam; open, zonder oordeel en niets verhullend. Het is zoals het is en het is oké zo, dat was haar instelling. Daarmee gaf ze me ruimte te zijn wie ik ben. Met en ook zonder haar. Een houding, die de zogenaamde vergiftende schaamte geen ruimte geeft om te ontstaan. Door samen op de fiets te stappen bood ze me ook de veiligheid, om in haar bijzijn de reacties op mijn kale hoofd te ontvangen en samen op te vangen. Reacties die me in verlegenheid konden brengen of die me een gevoel van schaamte konden geven. Ik kan me de reacties niet meer herinneren. Ik was mezelf en ik was kaal. Gevoel van schaamte ontstond pas toen mijn eigen haar weer groeide en kinderen regelmatig aan mijn haar trokken om te voelen of het toch niet een pruik was. Boos was ik vooral, omdat ik niet begreep waarom ze dat deden. Misschien was het plaatsvervangende schaamte om de bekrompenheid en het weinig invoelende vermogen van mijn leeftijdsgenoten. Toen tien, elf jaar. Nu kan ik vooral lachen, om hun nieuwsgierigheid, die het natuurlijk won van hun invoelend vermogen. Duh!

Als ik terugdenk aan de momenten waarop ik schaamte heb gevoeld, soms heel even, en soms iets langer en intenser, zoals ook tijdens de badpakkenshow, dan denk ik dat ik me er vooral mee heb verbonden en me er niet van heb gedistantieerd. Ik heb me verbonden aan de schaamte én aan de mensen die om mij heen waren. Ik voel me soms een van de weinigen die open te kennen geeft dat ik in een relatie de ander nodig heb om nóg meer mijzelf te kunnen zijn en om nog meer uit mezelf te halen. Ik schaam me daar niet voor. Ik schaam mij niet om hulp te vragen wanneer ik het niet weet, of als ik fouten maak, of faal, of te laat kom, of wanneer ik buitensporig grote ideeën in de wereld wil zetten, maar nog niet precies weet hoe. Ik hoef van mijzelf het leven en datgene wat ik te brengen heb in het leven, niet alleen te doen. Dat idee geef ik alle ruimte en bespiegel ik graag. Dat maakt dat ik vrijwel altijd in verbinding sta met zowel mijzelf als met de ander. Ik loop er niet van weg maar loop er juist naartoe; onderzoekend, altijd in verwondering, soms ook boos en verdrietig, maar vooral nieuwsgierig. Inmiddels ben ik vijftig en voel ik enkel nog de behoefte om honderd procent mezelf te mogen zijn; heel, met alles erop en eraan. Het licht en het donker. Zo vind ik het ook fijn als de ander honderd procent zichzelf is en we elkaar in onze heelheid ontmoeten. Zuiver, zonder gedachten. Gedachten die ik steeds gemakkelijker kan zien als vogels die overvliegen. Ik lees ze, maar ik hoef ze niet vast te pakken of bij me te houden zoals ik eerder wel deed. Mijn gedachten mogen overvliegen, uit zicht. Ze zijn mijn gasten, niet mijn gastheren, waardoor mindfuck weinig kans meer heeft om mijn brein te sturen. Het maakt mijn blik helder en open, zodat ik met verwondering kan zien hoe het leven me toekomt. Voorbij mijn schaamte misschien.